Ontmoeting met dakloze patiënten
Dokter Pierre Guisset, vrijwillige dokter voor Dokters van de Wereld, vertelt over enkele aspecten van het leven van de daklozen die verblijven in het CASU in Brussel.
ANNA
Anna is Roemeens, slechts 23 jaar oud. Klein, zwart haar, een uiterst bleek en triestig gezicht. Ze is angstig, bang voor het krijgen van een hartziekte. Haar vader is immers zo op 37-jarige leeftijd gestorven. Wat hem opvalt, is haar gelatenheid. Ze verwacht niks meer van het leven. Ze vertelt me dat ze geen papieren heeft en dat ze zelf een verzoek ingediend heeft bij de Raad van State om niet geëxpatrieerd te worden. Ze is trots omdat ze zelf het dossier heeft samengesteld. Ze zegt me: "Ik droomde vroeger van een kind met krulhaar en krullende wimpers. Maar, zegt ze me, nu beleef ik die droom. Ik heb een kind met krullend haar en krullende wimpers. Ik ben gelukkig; ik wil niks anders. Ik kan nu sterven". Dat zeggen op 23-jarige leeftijd is droevig. Ze zegt het met overtuiging; ze speelt geen komedie. "Maar, voegt ze toe, ik kan niet sterven. Want wie gaat zich dan ontfermen over mijn kind?"
MICHEL
Michel is 44 jaar. Het is een simpele man maar behoorlijk zeker van zichzelf. Hij heeft een zekere allure. Ik vraag me af wat hij hier doet. Anna is een Roemeense vluchtelinge, dus dat kan ik begrijpen. Maar Michel? Waarom? Ik nodig hem uit om plaats te nemen en hij vertelt zijn verhaal. Hij woonde vroeger bij zijn moeder tot die gestorven is aan kanker. Van de ene op de andere dag bevond Michel zich op straat. Waarom? De huisbaas heeft hem aan de deur gezet aangezien het contract enkel op zijn moeder’s naam stond. Michel had dus geen enkel recht meer om er te verblijven. Zonder huis, zonder familie, verloor hij eerst zijn werk, daarna zijn sociale uitkering. Wie geen huis meer heeft, heeft immers recht meer op niets...
GILBERT
Gilbert, 27 jaar, wandelt moeilijk. Ik stel hem voor om te gaan zitten. Hij lijkt me sereen, maar moe: hij is de hele dag op de been geweest in Brussel. Gilbert heeft alles verloren. Hij werkte ooit samen met zijn broer in een familiaal tuinbedrijf tot een conflict met zijn broer alles in duigen deed vallen. Zonder nieuw adres en dus zonder identiteitskaart vertelt Gilbert: "Men roeit met de riemen die men heeft; men is blij dat men in leven is". Hij heeft de hele dag door gewandeld en heeft overal pijn. Hij heeft in Brussel mensen zien fietsen wat hem aan het lachen heeft gebracht. Hij zegt me nog: "Ik zou graag mijn plaats vinden in de maatschappij. Naar school gaan, mijn dag organiseren, een geregeld leven leiden, mijn week plannen, een programma opstellen of bepalen ik doe dit of ik doe dat. Niks van dat alles is op dit moment mogelijk".
Ik laat hem praten. Ik vraag aan Gilbert of ik naar zijn benen kan kijken, want ik heb enkele verbanden onder zijn broek zien komen. Met spijt stel ik vast dat mijn patiënt een aantal geïnfecteerde zweren heeft op beide benen. Ik heb enkel om zijn verbanden weg te nemen al tien minuten nodig. Ik ben ervan overtuigd dat er een risico op aderontsteking is aan beide kanten. Ik moet dus de gepaste medicamenten vinden om 11 uur ’s avonds, heparine zoeken, hem diezelfde avond zelf een eerste injectie geven en er zich op een of andere manier van verzekeren dat de patiënt gedurende tien dagen elke dag een injectie krijgt. Het is vaak erg moeilijk voor ons, dokters, om te handelen, want een consultatie in het CASU lijkt weinig op een consultatie in de privé-praktijk van een huisarts. Men moet vaak snel beslissingen nemen, zonder de luxe van voorzorgen te kunnen nemen. Wat we ook graag zouden willen is in de toekomst van onze patiënten te kijken, wat van hen de volgende dag wordt, of ze hun medicamenten hebben gekregen. In Brussel lopen veel Gilberts van ’s morgens tot ’s avonds rond met ontoelaatbare kwalen aan hun onderste ledematen.
MARTHE
Marthe is 72 en praat de hele tijd honderduit. Ze straalt bovendien een zekere klasse uit. Dat ziet en hoort men. In de gang reeds, met de sociaal assistent, hield ze niet op met praten. Ze komt binnen in mijn bureau en ik stel haar voor om te gaan zitten. Ze merkt er echter niets op en praat verder. Ze was vroeger viertalig secretaresse wat me niets verbaast. Ik tracht te weten te komen hoe ze in deze situatie terechtgekomen is. Mijn vraag dringt echter niet tot haar door. Sommige mensen geraken hun zinnen kwijt en zijn zodanig verloren dat een normale conversatie onmogelijk wordt.
Die ochtend was ze aangevallen in het station van Brussel-Zuid. Ze was aangesproken door een gehandicapt persoon, was afgeleid en een andere persoon is er aan de haal gegaan met een plastiekzak met verscheidene persoonlijke zaken. Ze vertelt me deze episode maar haar helderblauwe ogen blijven onveranderd voor zich uitstaren.
Ze praat maar door... Ik zou haar bloeddruk willen nemen want ze heeft geen medicamenten meer. Ik moet haar bijna aan de deur zetten want er zijn andere patiënten die me willen zien. Ze herinnert me het geval van agressie van die morgen. Het is inderdaad verschrikkelijk: daklozen die ten prooi vallen van dieven die in hen een gemakkelijk slachtoffer zien en het gemunt hebben op hun spaargeld dat ze krijgen van het OCMW.
NATHALIE
Nathalie is 22 jaar en Kongolees. Haar gezicht is tamelijk rond en vertoont een triestige, zelfs uitzichtloze, blik. Ondanks haar leeftijd is ze reeds levensmoe. Haar echtgenoot, een militair, is overleden in haar moederland. Ik tracht meer te weten te komen maar Nathalie wil me geen verdere details geven. Ze wil niet herinnerd worden aan haar pijnlijk verleden. Ze is sinds 2002 in België en heeft politiek asiel aangevraagd. Ze vertelt me over de Raad van State, artikel 9, 3.
Hoe leeft ze? Haar universum bestaat uit permanente onzekerheid. Ze is slecht terecht gekomen: Kongolese "vrienden" hadden haar logement en werk aangeboden. Het voorgestelde werk bleek prostitutie te zijn. Ze weigert, besluit te vertrekken en her en der werk uit te voeren. Ze praat me over "vlechten" wat ik niet begrijp. "Maar ja, zegt ze, vlechten, vlechten". Ze blijkt regelmatig landgenoten het kapsel van landgenoten te verzorgen waardoor ze haar onafhankelijkheid en trots behoudt. Ik vraag haar wat ze overdag nog meer doet dan vlechten te maken. "Wel, zegt ze, ik ben gelovig, ik ga naar de kerk in de buurt van Madouplaats. Ik bid want ik ben christelijk". Overdag slenteren de meeste mensen in haar positie doelloos rond. Eten vinden is nooit een groot probleem in Brussel. Er is altijd iets te vinden om te eten. Een logement vinden ’s avonds is daarentegen wel een probleem want het aantal plaatsen is beperkt.
Die avond komt Nathalie op consultatie. Ze is ziek: een zware bronchitis. Op dit moment wil ze enkel slapen alvorens geconfronteerd te worden met de problemen van alledag. Ondanks haar eenzaamheid heeft ze geen gebrek aan energie. Ze brengt niet de hele dag door met bidden. Ze vertelt me dat ze naar een school gaat waar ze avondlessen informatica volgt. Ik vraag haar hoe ze erin slaagt haar inschrijving te betalen. Ze blijkt een school gevonden te hebben in Brussel waar ze haar aanvaard hebben hoewel ze geen geld heeft of vaste verblijfplaats. Ik droom... . Een schooldirecteur heeft besloten om een onbestaand artikel in te roepen, een artikel 9,3333... dat, zonder beperkingen, het recht op informatie of onderwijs geeft aan elke persoon.
/B_afficher_article>







5 laatste infos