
Medische hulp aan de daklozen
Tijdens de winter van 2006 werden honderden daklozen ondergebracht in tenten aan de boorden van het Canal Saint-Martin in Parijs. De media hebben flink meegeholpen dit schrijnend onrecht aan de kaak te stellen. De armoede breidt zich echter verder uit. De gezinnen op de rand van de armoede zijn de meest kwetsbare slachtoffers. Het afglijden naar de uitsluiting begint dikwijls door het verlies van een woning en het geleidelijke verlies van een hele reeks sociale beschermingen, die noodzakelijkzijn voor een waardig leven. De prioriteit voor daklozen is eerst en vooral overleven, ook al wordt de gezondheid dan verwaarloosd.
Deze missie brengt dringende medische hulp aan de daklozen, die dikwijls worden uitgesloten of reeds in een zelfvernietigingsfase zitten. Deze personen, zonder uitzicht van hulp, keren zich tegen de bestaande gezondheidsinfrastructuren.
Onze eerstelijnsactie laat toe de ziektes op te sporen en te behandelen van zodra ze ontdekt worden teneinde een verergering te voorkomen en zware hospitalisaties te vermijden, die zwaar wegen op zowel financieel en administratief vlak. Daarna worden de psychosociale ploegen van het CASU (ambulante dienst voor dringende sociale actie) aan het werk gezet om deze personen te oriënteren naar de bestaande institutionele medische hulpmiddelen.
Meer dan 5.500 raadplegingen werden gehouden sedert einde 1999, waarvan meer dan 1.700 in 2006 !
Op dit ogenblik verlenen een vijftiental artsen op vrijwillige basis hun medewerking aan dit project, maar wij blijven op zoek naar artsen om nog meer raadplegingen te kunnen aanbieden. Indien u hier interesse voor heeft, contacteer dan Dokters van de Wereld op nummer 02 648 69 99.
« De raadplegingen beperken zich niet tot de medische zorgen, maar zijn ook een plaats om te luisteren, hetgeen heel belangrijk is voor de daklozen. Zij hebben ons heel wat te vertellen over hun leefwereld, hun eenzaamheid, het geweld waarmee ze worden geconfronteerd, de hardheid van de straat, vooral bij koud weer. Meestal hebben zij geen familie, weinig vrienden en geen werk. Sommigen onder hen verbergen hun precaire situatie voor hun omgeving, zijn hun werk en woning verloren, en beleven stilaan een totale val op de sociale ladder. Soms wordt de hele familie dakloos. Hard is vooral om kinderen in deze situatie te zien. » (getuigenis van Dokter Van Osta, vrijwilliger).
Doe een gift voor dit project
Blijf op de hoogte over onze missies. Schrijf u in op onze nieuwsbrief
Fotogalerij
Getuigenis van een dokter
Ontmoeting met dakloze patiënten
Op stap met het CASU en Dokters van de Wereld
Wordt vrijwilliger

Ontmoeting met dakloze patiënten
Dokter Pierre Guisset, vrijwillige dokter voor Dokters van de Wereld, vertelt over enkele aspecten van het leven van de daklozen die verblijven in het CASU in Brussel.
ANNA
Anna is Roemeens, slechts 23 jaar oud. Klein, zwart haar, een uiterst bleek en triestig gezicht. Ze is angstig, bang voor het krijgen van een hartziekte. Haar vader is immers zo op 37-jarige leeftijd gestorven. Wat hem opvalt, is haar gelatenheid. Ze verwacht niks meer van het leven. Ze vertelt me dat ze geen papieren heeft en dat ze zelf een verzoek ingediend heeft bij de Raad van State om niet geëxpatrieerd te worden. Ze is trots omdat ze zelf het dossier heeft samengesteld. Ze zegt me: "Ik droomde vroeger van een kind met krulhaar en krullende wimpers. Maar, zegt ze me, nu beleef ik die droom. Ik heb een kind met krullend haar en krullende wimpers. Ik ben gelukkig; ik wil niks anders. Ik kan nu sterven". Dat zeggen op 23-jarige leeftijd is droevig. Ze zegt het met overtuiging; ze speelt geen komedie. "Maar, voegt ze toe, ik kan niet sterven. Want wie gaat zich dan ontfermen over mijn kind?"
MICHEL
Michel is 44 jaar. Het is een simpele man maar behoorlijk zeker van zichzelf. Hij heeft een zekere allure. Ik vraag me af wat hij hier doet. Anna is een Roemeense vluchtelinge, dus dat kan ik begrijpen. Maar Michel? Waarom? Ik nodig hem uit om plaats te nemen en hij vertelt zijn verhaal. Hij woonde vroeger bij zijn moeder tot die gestorven is aan kanker. Van de ene op de andere dag bevond Michel zich op straat. Waarom? De huisbaas heeft hem aan de deur gezet aangezien het contract enkel op zijn moeder’s naam stond. Michel had dus geen enkel recht meer om er te verblijven. Zonder huis, zonder familie, verloor hij eerst zijn werk, daarna zijn sociale uitkering. Wie geen huis meer heeft, heeft immers recht meer op niets...
GILBERT
Gilbert, 27 jaar, wandelt moeilijk. Ik stel hem voor om te gaan zitten. Hij lijkt me sereen, maar moe: hij is de hele dag op de been geweest in Brussel. Gilbert heeft alles verloren. Hij werkte ooit samen met zijn broer in een familiaal tuinbedrijf tot een conflict met zijn broer alles in duigen deed vallen. Zonder nieuw adres en dus zonder identiteitskaart vertelt Gilbert: "Men roeit met de riemen die men heeft; men is blij dat men in leven is". Hij heeft de hele dag door gewandeld en heeft overal pijn. Hij heeft in Brussel mensen zien fietsen wat hem aan het lachen heeft gebracht. Hij zegt me nog: "Ik zou graag mijn plaats vinden in de maatschappij. Naar school gaan, mijn dag organiseren, een geregeld leven leiden, mijn week plannen, een programma opstellen of bepalen ik doe dit of ik doe dat. Niks van dat alles is op dit moment mogelijk".
Ik laat hem praten. Ik vraag aan Gilbert of ik naar zijn benen kan kijken, want ik heb enkele verbanden onder zijn broek zien komen. Met spijt stel ik vast dat mijn patiënt een aantal geïnfecteerde zweren heeft op beide benen. Ik heb enkel om zijn verbanden weg te nemen al tien minuten nodig. Ik ben ervan overtuigd dat er een risico op aderontsteking is aan beide kanten. Ik moet dus de gepaste medicamenten vinden om 11 uur ’s avonds, heparine zoeken, hem diezelfde avond zelf een eerste injectie geven en er zich op een of andere manier van verzekeren dat de patiënt gedurende tien dagen elke dag een injectie krijgt. Het is vaak erg moeilijk voor ons, dokters, om te handelen, want een consultatie in het CASU lijkt weinig op een consultatie in de privé-praktijk van een huisarts. Men moet vaak snel beslissingen nemen, zonder de luxe van voorzorgen te kunnen nemen. Wat we ook graag zouden willen is in de toekomst van onze patiënten te kijken, wat van hen de volgende dag wordt, of ze hun medicamenten hebben gekregen. In Brussel lopen veel Gilberts van ’s morgens tot ’s avonds rond met ontoelaatbare kwalen aan hun onderste ledematen.
MARTHE
Marthe is 72 en praat de hele tijd honderduit. Ze straalt bovendien een zekere klasse uit. Dat ziet en hoort men. In de gang reeds, met de sociaal assistent, hield ze niet op met praten. Ze komt binnen in mijn bureau en ik stel haar voor om te gaan zitten. Ze merkt er echter niets op en praat verder. Ze was vroeger viertalig secretaresse wat me niets verbaast. Ik tracht te weten te komen hoe ze in deze situatie terechtgekomen is. Mijn vraag dringt echter niet tot haar door. Sommige mensen geraken hun zinnen kwijt en zijn zodanig verloren dat een normale conversatie onmogelijk wordt.
Die ochtend was ze aangevallen in het station van Brussel-Zuid. Ze was aangesproken door een gehandicapt persoon, was afgeleid en een andere persoon is er aan de haal gegaan met een plastiekzak met verscheidene persoonlijke zaken. Ze vertelt me deze episode maar haar helderblauwe ogen blijven onveranderd voor zich uitstaren.
Ze praat maar door... Ik zou haar bloeddruk willen nemen want ze heeft geen medicamenten meer. Ik moet haar bijna aan de deur zetten want er zijn andere patiënten die me willen zien. Ze herinnert me het geval van agressie van die morgen. Het is inderdaad verschrikkelijk: daklozen die ten prooi vallen van dieven die in hen een gemakkelijk slachtoffer zien en het gemunt hebben op hun spaargeld dat ze krijgen van het OCMW.
NATHALIE
Nathalie is 22 jaar en Kongolees. Haar gezicht is tamelijk rond en vertoont een triestige, zelfs uitzichtloze, blik. Ondanks haar leeftijd is ze reeds levensmoe. Haar echtgenoot, een militair, is overleden in haar moederland. Ik tracht meer te weten te komen maar Nathalie wil me geen verdere details geven. Ze wil niet herinnerd worden aan haar pijnlijk verleden. Ze is sinds 2002 in België en heeft politiek asiel aangevraagd. Ze vertelt me over de Raad van State, artikel 9, 3.
Hoe leeft ze? Haar universum bestaat uit permanente onzekerheid. Ze is slecht terecht gekomen: Kongolese "vrienden" hadden haar logement en werk aangeboden. Het voorgestelde werk bleek prostitutie te zijn. Ze weigert, besluit te vertrekken en her en der werk uit te voeren. Ze praat me over "vlechten" wat ik niet begrijp. "Maar ja, zegt ze, vlechten, vlechten". Ze blijkt regelmatig landgenoten het kapsel van landgenoten te verzorgen waardoor ze haar onafhankelijkheid en trots behoudt. Ik vraag haar wat ze overdag nog meer doet dan vlechten te maken. "Wel, zegt ze, ik ben gelovig, ik ga naar de kerk in de buurt van Madouplaats. Ik bid want ik ben christelijk". Overdag slenteren de meeste mensen in haar positie doelloos rond. Eten vinden is nooit een groot probleem in Brussel. Er is altijd iets te vinden om te eten. Een logement vinden ’s avonds is daarentegen wel een probleem want het aantal plaatsen is beperkt.
Die avond komt Nathalie op consultatie. Ze is ziek: een zware bronchitis. Op dit moment wil ze enkel slapen alvorens geconfronteerd te worden met de problemen van alledag. Ondanks haar eenzaamheid heeft ze geen gebrek aan energie. Ze brengt niet de hele dag door met bidden. Ze vertelt me dat ze naar een school gaat waar ze avondlessen informatica volgt. Ik vraag haar hoe ze erin slaagt haar inschrijving te betalen. Ze blijkt een school gevonden te hebben in Brussel waar ze haar aanvaard hebben hoewel ze geen geld heeft of vaste verblijfplaats. Ik droom... . Een schooldirecteur heeft besloten om een onbestaand artikel in te roepen, een artikel 9,3333... dat, zonder beperkingen, het recht op informatie of onderwijs geeft aan elke persoon.

Een huisarts die zich inzet voor de daklozen
Getuigenis van Dokter David Van Osta huisarts-vrijwilliger voor het project
"Toen ik voor de geneeskunde koos, wou ik de mensen verzorgen, van pijn verlossen maar vooral helpen. Voor mijn vierde doctoraat ben ik naar Kameroen vertrokken om daar deel te nemen aan studie over de ziekten van oude mensen in de Sahara. Ik heb er overigens mijn paper aan het einde van mijn studie aan gewijdt. Ik was erg geïnteresseerd in de humanitaire geneeskunde, en ik dacht dat ik me als dokter nuttiger kon maken door voor een NGO te gaan werken in een derdewereldland. Toch verlangde ik er tegelijk naar om mijn diploma van huisarts te halen. Tijdens mijn opleiding ben ik getrouwd en ben ik papa geworden. Daarnaast ben ik ook een partnerschap aangegaan met mijn vroegere stagementor. Op dit moment werk ik ook voor het Office de la Naissance et de l’Enfance (ONE) [1] waar ik een praktijk heb, en ik doe ook consultaties in het kader van geboorteplanning.
Aangezien ik niet meer de mogelijkheid heb om voor een NGO te werken in een derdewereldland las ik met grote interesse de advertentie in een medisch tijdschrift waarin Dokters van de Wereld op zoek is naar dokters die als vrijwilliger voor het CASU [2] willen werken.
De dakloze patiënten waar ik op het CASU mee te maken krijg, verkeren vaak in een slechte algemene toestand. Gezondheid is niet hun prioriteit: Ze moeten eerst zorgen voor eten en een slaapplaats. Soms moet je eerst met hen onderhandelen voor ze medische hulp willen aanvaarden; aanvankelijk weigeren ze vaak uit schrik.
De consultaties dienen niet alleen voor medische problemen; we bieden ook een luisterend oor. Dat is zeer belangrijk voor de daklozen, want ze hebben ons veel te vertellen over hun situatie, de eenzaamheid, het geweld waarmee ze worden geconfronteerd of over het harde straatleven, vooral als het koud is.
Vaak hebben ze geen familie, weinig vrienden en geen werk. Sommigen steken hun kwetsbaarheid voor hun naasten weg. Ze zijn niet alleen hun werk kwijt, maar ook een onderkomen en gelijdelijkaan dalen ze af op de sociale ladder. Soms zijn hele families dakloos. Het is moeilijk om kinderen in dergelijke armoede te zien leven.
Ik werk nu bijna een jaar als vrijwilliger voor het CASU bij Dokters van de Wereld en met elke consultatie krijg ik bevestiging van mijn inzet."

Op stap met het CASU en Dokters van de Wereld
Iedere avond trekt een ploeg van het Centrum voor Dringende Sociale Actie (CASU)door Brussel om de daklozen, die op straat leven, te helpen. Ze bieden hen thee of soep en een sandwich aan. Ze stellen voor een douche te nemen in het CASU en daar in de warmte te slapen. Sommige avonden gaat een ploeg van DVW (Dokters van de Wereld) mee om de daklozen ter plaatse te verzorgen.
Dinsdag 31 januari 2006. Het is 21u, de temperatuur daalt tot -2°. Felix, sociale assistent, organiseert de nachtronde. Odie, door sommige daklozen “Mama” genoemd, houdt zich bezig met de voedingsvoorzieningen. Deze avond, na zijn werkuren, neemt Dokter Joos, vrijwilliger van VDW, ook plaats in de wagen.
We gaan richting Centraal Station. In een doodlopende straat ontmoeten we 3 daklozen. Ze wonen er. Langs een kantoorgebouw hebben ze met paletten en dekens een ruimte ingericht. Een doorgang, de lengte van een deur, geeft ons toegang tot “hun huis”. Zij vinden het prettig bezoek te ontvangen, maar ze weigeren in het CASU te verblijven, behalve enkele nachten per jaar.
Odie vertelt “De daklozen zijn ons dankbaar voor de bezoeken. Zelfs al gaat het in begin wat hard aan.” Inderdaad, het is de gelegenheid om te praten, te vragen hoe het gaat, iets warms te drinken. De meesten ontvangen ons met vreugde: “Het is zo lang geleden dat jullie nog geweest zijn!”. Anderen blijven onder hun deken verscholen. De geneesheer wordt in het algemeen zeer goed onthaald.
Deze avond kunnen de daklozen zich door Dokter Joos van DVW laten verzorgen. Velen hebben kleine wonden: ze zijn te wijten aan de hardheid van het straatleven(besmettingen, wonden door de koude,...). Anderen hebben ernstige gezondheidsproblemen. Een ziekenhuisopname is vereist. Dokter Joos spoort ze aan om zich tot een ziekenhuis te wenden waar ze opgevolgd kunnen worden. De medische behandeling op straat is eenmalig en de patiënten worden opgevolgd, maar het voornaamste is de aanwezigheid van een dokter: Hij luistert en geeft raad.
M.
M., 53 jaar oud, heeft sinds enkele dagen koorts en is zeer gelukkig met het bezoek van de dokter. ’s Nachts, om minder warm te hebben, kleedt hij zich uit en is aan de verkoudheid overgeleverd. Dokter Joos bekommert zich over zijn gezondheid: hij verneemt dat M. hartpatiënt is. De aanwezigheid van de dokter sterkt hem, maar M. heeft niet de moed om zich naar een ziekenhuis te begeven en zich te laten verzorgen, alhoewel hij in orde is met de ziekenkas. Hij getuigt: “Ik word veel geholpen, maar ik ben koppig”.
De bedienden van de nabij gelegen kantoren kennen hem wel, want hij slaapt daar sinds 4 maanden. Eten wordt hem gebracht en sommigen nodigen hem zelfs uit in een restaurant om “een spaghetti of een macaroni” te eten. M. bedelt soms, maar hij deelt ons mee “bedelen, dat is moeilijk”.
Deze avond, ondanks de koorts en zijn tranen, slaapt hij liever op straat. Hij belooft ons “Morgen zal ik met jullie meegaan”. De belofte wordt nagekomen: de volgende dag halen we hem om 20u op en M. stapt in de CASU-wagen “Mijn spullen zijn niet klaar, maar ik ga met jullie mee aangezien ik het gisteren beloofd heb”. Hij zal zich door een dokter in het kabinet van het sociaal centrum laten onderzoeken.
P.
We verlaten de wijken van het stadscentrum om de randstad in de gemeente Evere te bereiken. Op verdieping -2 van een parking in een grootwarenhuis, ontmoet Felix P., 45 jaar oud, die hij slechts sinds 2 maanden kent, alhoewel P. meer dan 3 jaar op straat leeft! Hij is eenzaam, afgezonderd van de daklozenwereld.
Wanneer we aankomen, ligt P. op de koude beton, het hoofd onder zijn mantel verscholen. Geen deken. P. heeft in het verleden in het CASU geslapen, maar hij doet nooit de stap om te bellen en zijn bed te reserveren.
Felix heeft, langzaam aan, het vertrouwen van P. bekomen. Hij vertelt: “De mensen geven hem al het eten dat hij nodig heeft, maar ze praten niet met hem. Er zijn zeker meerdere dagen dat hij met niemand spreekt”. P. is inderdaad zeer verlegen. Hij heeft een droevige blik. Hij zegt weinig.
Deze avond spreekt Dokter Joos hem aan in het Nederlands, zijn moedertaal, en tracht hem te overtuigen om in de warmte te gaan slapen. Na een eindeloos gepraat, aanvaardt P. in de CASU-wagen te stappen. Hij zal in het CASU een warm eetmaal genieten en een douche nemen, maar zal er niet blijven slapen ondanks de uitdrukkelijke aanvraag van het nachtpersoneel.
C.
In de omgeving van het Muntplein, ontdekken wij C., 79 jaar oud, slapende langs een muur onder dekens en op kartons, in een gang waarin een ijskoude wind blaast. Hij weigert mee te gaan, want tijdens zijn laatste verblijf bij het CASU heeft hij van kamer moeten veranderen en dat heeft hij niet gewaardeerd. Felix belooft dat er geen kamerverandering zal zijn, maar C. wil het niet weten. Dokter Joos tracht hem te overtuigen:
“Probeer het nog éénmaal...”
“Neen, ik zal het noot meer proberen”
“Slechts één nacht”
“Neen”
Hij weigert categorisch. Ondanks zijn 79 jaar oud en de koude doorgebrachte nachten, is hij nog sterk. Hij weigert ook de aangeboden dekens.
O.
O., 35 jaar oud, slaapt in een bushokje in Evere. De ploeg kent haar sinds 2 jaar en komt regelmatig met haar praten. Ze hebben voorgesteld om binnen te slapen. Ze heeft altijd geweigerd.
We ontdekken haar, slapend op de bank van het bushokje onder een hoop dekens waarop een kat troont. Deze avond is ze niet goedgehumeurd. Zij wenst ons noch te spreken noch te zien: "Laat de mensen met rust! Stop met mij O. te noemen! Zeg Mevrouw!"
Wij verlaten haar zonder met haar gesproken te hebben.
S.
In het Centraal Station, ontmoeten wij S. Zij stelt zich voor als “de dakloze die de televisie altijd interviewt”. Inderdaad, S. heeft over alles haar gedacht; zij is door iedereen gekend en schijnt een zeer druk leven te hebben. Tegenwoordig verblijft zij bij een dame en zoekt een betaalbare woning.
De dokter neemt haar bloeddruk: 17/9. Dat is onzettend veel! Gelukkig heeft S. een huisdokter. Dokter Joos schrijft wat te zijner attentie. Hij legt uit dat hij zijn patiënt onderzocht heeft en dat haar bloeddruk te hoog is en dat zij zou moeten opgevolgd worden.
Enkele dagen later zie ik S. terug in de gang van het Centraal Station. Zij bevestigt dat zij haar dokter gezien heeft en dat zij vandaag een medicijn neemt om haar bloeddrukprobleem te regelen.





5 laatste infos